Een nieuwe studie van de Bar-Ilan Universiteit in Israël en de Johannes-Gutenberg-Universiteit in Mainz, Duitsland, suggereert dat de woorden die vrouwen gebruiken om hun vagina’s te beschrijven een aanzienlijke invloed hebben op hun perceptie van seksueel genot en lichaamsbeeld. Het onderzoek, gepubliceerd in Sex Roles, onthult duidelijke correlaties tussen taal en houding, met implicaties voor de seksuele gezondheid en zelfperceptie.
De verbinding tussen taal en plezier
Onderzoekers ondervroegen 457 vrouwen in de Verenigde Staten, tussen 18 en 81 jaar, en onderzochten hun voorkeursterminologie in alledaagse versus seksuele contexten. De bevindingen tonen aan dat speelse of kinderachtige termen (“pee-pee”, “hoo-ha”, “vajayjay”) verband houden met meer negatieve gevoelens over de geslachtsorganen, een toenemend gebruik van vaginale reinigingsproducten en een grotere aandacht voor cosmetische genitale chirurgie zoals schaamlipcorrectie.
Omgekeerd correleert het gebruik van vulgaire termen (“poesje”, “kut”) tijdens seks met verhoogd seksueel genot en frequentere orgasmes. Eén onderzoeker merkte op dat dit duidt op een mogelijke terugwinning van voorheen denigrerende taal als empowerment.
Generatieverschuivingen en contextkwesties
Het onderzoek bevestigt een generatieverschuiving in taalvoorkeuren. Anatomisch correcte termen als ‘vagina’ en ‘vulva’ komen steeds vaker voor, vooral onder jongere generaties, wat duidt op een beter geïnformeerde woordenschat rond de vrouwelijke anatomie. Oudere vrouwen neigen nog steeds naar eufemismen als ‘daar beneden’, maar dit is niet per se negatief.
Cruciaal is dat de context ertoe doet. Hoewel speelse termen in alledaagse gesprekken worden geassocieerd met negatieve percepties, brengt het gebruik ervan tijdens seks niet hetzelfde stigma met zich mee. Het onderzoek onderstreept de diversiteit in genitale naamgeving onder vrouwen, waarbij geen enkele aanpak domineert.
Implicaties voor lichaamsbeeld en gezondheid
De studie betwist de veronderstelling dat eufemismen automatisch schaamte impliceren. Onderzoekers verwachtten dat vage termen zouden correleren met een negatief zelfbeeld, maar vonden een dergelijk verband niet. In plaats daarvan had kinderachtig taalgebruik de sterkste associatie met negatieve gevoelens.
De bevindingen voegen nuance toe aan de lopende discussies over anatomische taal, vooral in de opvoedingscontext. Het belang van het aanleren van de juiste terminologie aan kinderen om de positiviteit van het lichaam te bevorderen en misbruik te voorkomen blijft geldig, maar de studie suggereert dat de houding van volwassenen complexer is dan eerder werd aangenomen.
De implicaties van het onderzoek zijn duidelijk: de manier waarop vrouwen over hun lichaam praten, heeft een grote invloed op hoe zij dit ervaren. Er wordt verder onderzoek gedaan om de bevindingen in diverse culturen te repliceren, inclusief studies over regionaal jargon zoals de Britse term ‘fanny’, om het begrip van deze complexe relatie te verbreden.


























